Dromen in een glazen bol

De lente liep ten einde. Hoewel de bomen vol in blad stonden en de voorjaarsbloemen gebloeid hadden, was het jaargetijde kil en nat geweest.
Nu was de zon doorgebroken en twee mensen koesterden zich in het warme licht. Ze zaten in het gras tussen de bloemen op hun jassen, die eindelijk uitkonden.
"Ik wil je iets laten zien", zei ze verlegen. Hij boog zich innig naar haar toe en keek haar verwachtingsvol aan. Voorzichtig haalde ze uit haar jaszak een glazen bol te voorschijn. De zonnestralen fonkelden in haar hand. De bol was glashelder geslepen in een perfecte ronding. Hij hield zijn adem in. In de glazen bol speelden kleuren, warme tinten, die in elkaar overgingen, zich losmaakten en nieuwe kleuren vormden. Ze keek aandachtig naar zijn gezicht toen hij in de bol keek. "Dit is mijn droom", zei ze zacht," De droom die ik al droomde toen ik een heel klein meisje was, kijk…"
Ze vertelde hem, soms met haperende stem, soms met een snik, wat al die kleuren in de glazen bol betekenden. Hij dronk haar woorden in en knikte, knikte. Toen ze uitgepraat was, kuste hij haar zacht en teder en lachte in haar ogen. "Wat prachtig", zei hij, "ongelooflijk mooi, jouw droom en hij past bij mijn droom". Ze keek hem verbaasd aan: "Jouw droom? Heb jij ook een droom in een glazen bol?" "Ja", zei hij en haalde uit zijn jaszak een prachtige glazen bol tevoorschijn, glashelder geslepen met een zuivere ronding. Het zonlicht sprankelde erdoor en speelde met de in elkaar vloeiende kleuren. Zij fluisterde: "Ik heb nog nooit een man gekend met een glazen droombol…". Hij glimlachte en zei: "Ik heb hem nog nooit aan iemand laten zien. Ik zal je vertellen welke droom hier al inzit vanaf de tijd dat ik een kleine jongen was".
Ze luisterde aandachtig toen hij sprak, het leek of ze in zijn bol mee vloeide op de golven van zijn stem, in de kleuren van zijn droom. Toen hij uitgesproken was, hielden ze de bollen naast elkaar. "De jouwe is groter, "zei hij geschrokken. "Dat maakt niet uit", antwoordde ze, "die van jou is helderder". Ze keken in elkaars ogen en lachten. "Zullen we onze dromen waar maken, samen?" haar stem klonk als kristal. "Ja, mijn lief", antwoordde hij, "Wij gaan onze dromen eindelijk waar maken".
Ze stonden op en bukten zich om hun jassen op te pakken. "Ik hoef die jas nooit meer aan", zei zij, "Ik voel me licht en warm bij jou". "Ik ook, bij jou", zei hij," ik draag ze wel over mijn arm". Hij borg zijn glazen bol weer weg. "Ik hou de mijne nog even in mijn hand, de zon schijnt er zo mooi in", zei zij.

Ze gingen op weg door het zonovergoten landschap, met opgeheven hoofd en lichte tred. Af en toe bleven ze staan en kusten elkaar, ze voelden zich alsof ze in hun droombol liepen, stralend en sprankelend.
Er kwamen mensen op hun weg, sommigen knikten hen vriendelijk toe en warmden zich aan hun geluk. Ze groetten blij. Anderen keken hen boos of minachtend aan en draaiden hun hoofd om. Dan keken ze elkaar verward aan en hij zei: "We zijn samen", en zij zei: "Met een droom".
Zo liepen ze vele, vele uren. Toen de gelukkige dag langzaam voortgleed naar een gelukkige avond zei zij: "Er is een kind, dat ons al een tijd volgt, het gaat dezelfde kant op als wij". Ze hielden stil en draaiden zich om naar het kind. Hij zei: "Waar ga je naar toe?" Het kind bleef ook staan en keek naar hen. Het haalde z'n schouders op en keek de vrouw vragend aan. "Kom maar", haar stem klonk warm en liefdevol, ze hurkte neer. Het kind deed aarzelend een stap. Ze stak haar hand uit met de glazen bol: "Kijk eens, is dat niet mooi?". Het kind zag de ronde bol en kwam nieuwsgierig naar haar toe. Het keek erin van boven, van opzij en van onderen. Zij glimlachte teder en zei: "Zie je mijn droom?" Het kind keek haar aan, angstig, vragend. De man hurkte naast haar neer bij het kind: "Ik heb net zo'n bol. Ietsje kleiner maar helderder. Loop je met ons mee? Dan ben je niet alleen". Het kind keek hem met grote ogen aan en stak zijn handje uit naar de vrouw. Ze stonden op en liepen verder. De man met de jassen over zijn arm, de vrouw met het kind aan de ene hand en de glazen bol in de andere.
Na enige tijd zei de man met lichte prikkeling: "Mijn lief, ik mis de warmte van je hand". "Maar ik heb het kind vast", antwoordde ze en keek hem onderzoekend aan, "en ik wil zo graag ook nog even mijn droom vasthouden. Pak het kind maar vast, dan heb je ook mij vast". Het leek alsof het kind het niet gehoord had, het liep stilletjes voort. De man pakte zijn handje en voelde dat het net zo koud was als de zijne. Zo liepen ze zwijgend verder. De zon ging onder. "Ik krijg het koud", zei hij en liet de hand van het kind los. Hij vouwde zijn jas open en trok hem aan. Het kind keek ernaar en toen leek alles snel te gaan…
Het kind raakte uit zijn evenwicht, zij schrok. Ze gaf een ruk aan het armpje om hem niet te laten vallen. De glazen bol vloog uit haar andere hand en viel in scherven op de weg. De vrouw gaf een gil; het kind trok zich los en sloeg met wijde ellebogen zijn handjes voor de oren.
De man stond als aan de grond genageld. Zij zakte bij de scherven neer, raapte de grote stukken op en huilde, huilde alsof haar hart met het glas gebroken was.
Onzichtbaar, boven de weg zweefde haar droom, bevrijd van zijn glazen huis.

In de aansluipende nacht stonden de man en de vrouw in verwijt tegenover elkaar.
"Kijk wat je gedaan hebt. Het is jouw schuld, je liet het kind los en toen struikelde hij", riep ze door haar tranen, "nu ligt mijn droom aan scherven".
"Ik deed alleen maar mijn jas aan", zei hij vertwijfeld, "Jij had hem toch vast. Jij liet het kind tussen ons komen. Ik wilde het liever niet meenemen, maar jij haalde het aan".
"Nu krijg ik de schuld? Hoe kun je zo egoïstisch zijn om een kind te willen laten staan", schreeuwde ze woedend.
"Jij geeft mij de schuld!, brieste hij, "Waarom deed je niet net als ik en borg je de glazen bol veilig weg in je jaszak. En had je droom dan tenminste stevig vast gehouden. Of had het kind laten struikelen, dan had hij de volgende keer beter uitgekeken".
"Een kind laten vallen! Je bent jaloers op het kind omdat het mijn hand vasthoudt. Een man, jaloers op een kwetsbaar kind", schreeuwde ze met minachting.
Het kind stond zwijgend opzij, zijn ellebogen wijd gespreid, de handjes voor de oren.
"Kom", zei ze tegen het kind en pakte een hand van een oor weg en greep haar jas: " we lopen samen verder, laat hem maar". De droom volgde op afstand.

In de donkerte nu stond de man. Hij hijgde van emotie. Hoe gelukkig waren ze die morgen, hoe ellendig deze avond. Wat had hij nog aan z'n lang gekoesterde droom in de glazen bol? Zij had haar droom stuk laten vallen door een kind, maar daarbij was zijn droom ook niet meer waard gedroomd te worden.
Hij taste met trillende vingers in de binnenzak van zijn jas. Omklemde de bol en smeet hem met kracht op de weg. Het glas spatte uit elkaar. Hij trapte de grote stukken kapot en huilde van boosheid en onmacht. Toen liet hij zich zakken op de weg en staarde lange tijd in het duister.
Zijn droom had zich bevrijd uit de brokstukken en zweefde onzichtbaar boven de grond.

Die nacht sliepen ze ver van elkaar, de man tegen een boom, de vrouw en het kind in de luwte van een schuur.
Terwijl ze sliepen, nestelden hun dromen zich weer in hun hart, de plek waar ze ooit vandaan waren gekomen.

Bij het eerste zonlicht stond de vrouw op en nam het kind aan de hand. Ze liep de weg terug, op zoek naar de man, geleid door de droom in haar hart.
De man werd gewekt door de eerste zonnestralen. Hij stond op en spoedde zich over de weg om haar en het kind in te halen. De droom in zijn hart zong mee op het ritme van zijn stap.

Halverwege de afstand tussen hen, kwamen ze elkaar tegen. Ze drukten elkaar aan het hart en zij fluisterde: "Onze dromen kloppen, laten we dromen vanuit ons hart".
En hij zei zacht: "Dromen mag je niet vasthouden; laten we eruit leven, met ons hart".
Het kind stond dichtbij en lachte; de ellebogen wijd gespreid, de handjes achter het hoofd, voelde het de warmte van de zon.

Later liepen ze de weg verder. Soms hand in hand, terwijl het kind om hen heen huppelde. Soms droeg de man het kind op zijn rug als het moe werd. Dan weer liep het aan de hand van de vrouw.
"Het wordt zomer", zei de man, "nog even en we kunnen onze jas uitlaten".

Tekst: Boukje Overgaauw

e-max.it: your social media marketing partner
Top