Kind van de zon

Het was even na middernacht toen de hartenklop van het nieuwe wezentje voor het eerst te horen was. De zon had moeder aarde weer een stuk van haarzelf toevertrouwd.
Het weerlicht verlichtte het strand waar het kleine de aarde voor het eerst voelde en de donder donderde het nieuws door de donkere nacht.
De gevoelige oren van de dieren hoorden de hartenklop het eerst en ze gingen op zoek naar de plek waar het geluid vandaan kwam.
Daar op een bed van zilverzand lag een prachtig, stralend wezen.
Op zachte voeten sloop de zwarte panter dichterbij en snoof aan het wonder. Het kind voelde de ademtocht en opende de ogen.
"Wat een prachtige gele ogen", fluisterde de panter, "Er zal hem niets ontgaan".
"Kijk die sterke armen", wees de grote aap, "Die zal hoog door de boomkruinen kunnen gaan".
"Kijk hoe schitterend transparant", glibberde de stem van de kwal vanuit de golven,"Hij zal net zo prachtig worden als mijn vader".
"Zie die ranke benen", zei het hert, "Hij zal sneller kunnen vluchten dan wie ook".
"Het is nog heel jong", merkte de oude uil op, "Wie zal het grootbrengen?"

In het daaropvolgende uur ontstond er een geweldige ruzie over wie de beste opvoedingskwaliteiten had. Het werd zo’n lawaai dat de oude wijze, die in een grot in de rotsen langs de zee woonde, gealarmeerd werd.
Hij duwde de kring van schreeuwende dieren uit elkaar en hurkte neer naast het wezentje dat met grote ogen lag rond te kijken.
"Een zonnekind", prevelde hij, "Een uniek wezen, kijk die stralende kern, de warmte in de oogjes, de innerlijke kracht die alles zal beroeren. Wat een voorrecht het hier te mogen ontmoeten". De oude wijze keek de kring rond en zei: "We zullen dit jonge leven samen opvoeden, het kan van ons allemaal iets leren. Ik zal het onderdak geven en jullie mogen het om de beurt onderrichten". De wijze man nam het kind in de armen en droeg het naar zijn grot, de dieren volgden in stilte.

In de tijd die volgde voedde de wijze de kleine. Het straalde en groeide, de oude wijze leek jonger te worden. In zijn ogen weerspiegelde het licht van het zonnekind.
Op een dag kwam de aap en vroeg het kind mee te mogen nemen.
De oude liet hen gaan.
Na een lange periode kwam het kind terug. Zijn armen waren sterk geworden en gespierd, hij lachte hard en sprak luid, maar het meest opvallend was zijn lange staart.
"Ze lachten me uit omdat ik geen staart had", lawaaide hij, "Nu hoor ik ècht bij hen, maar ’t is ook handig om je evenwicht te bewaren".
De oude knikte.

De volgende dag liepen ze samen langs de zee, de kwal wenkte het kind en hij verdween in de golven. Na weken stond het kind op een avond weer druipend voor de grot.
"Wat een prachtige wereld onder water", juichte hij, "Ik heb geweldig leren zwemmen".
"Je bent veranderd", zei de wijze zacht.
"Ja, ik werd er gek van dat de kwal steeds maar over m’n ‘transparante binnenste’ zat te zeuren", sprak het kind met bravoure, "Dit is een handig pantsertje, nou kijk je niet meer dwars door me heen. En deze drie stekels heb ik omdat de inktvis me steeds probeerde te omarmen".
"Ik begrijp het", zei de wijze en staarde naar de einder.

Toen het kind een tijdlang bij de herten had doorgebracht kwam hij terug met een prachtig gewei op zijn hoofd.
"Nou, hoe vind je dit?", vroeg hij, "Na een paar dagen had ik zo genoeg van dat vluchten.
Die beesten hebben een gewei op hun kop en ze doen er haast nooit wat mee. Ik ga nu eerst in de aanval, vluchten kan altijd nog".
"Natuurlijk", ze de wijze.

De oude wijze keek hem lang na toen hij op weg ging naar de panters.
Al na korte tijd was het kind terug.
Hij keek de wijze nauwelijks aan, schermde zijn ogen af en knipperde veel met de oogleden.
Pas midden in de nacht klonk zijn stem door de donkere grot: "Ik heb panterogen en weet je wat panters doen? Ze doden apen en herten". Het was lange tijd stil, toen klonk de stem weer: "Ik kan niet goed uit de voeten met dat gewei en die lange staart, m’n pantser voelt zo knellend en die stekels houden ook liève dieren op een afstand".
De oude wijze staarde met open ogen in de duisternis.
Indringend klonk zijn stem toen hij zei: "Jouw ogen zijn niet die van een panter.
Je hebt de ogen van je moeder, de zon. Je bent een kind van de zon.
Keer terug naar wie je werkelijk bent.
Keer terug naar jezelf".

Tekst: Boukje Overgaauw

e-max.it: your social media marketing partner
Top