Nieuwe Niet

Het was een zachte ochtend in het voorjaar. Voorzichtig kwamen de eerste blaadjes uit hun knoppen. De dieren poetsten zich op in het nieuwe zonnetje en snoven de geuren van het lentebos diep naar binnen.
Aan de rand van het bosmeer kropen de eerste jonge eendjes uit het ei en moeder eekhoorn was druk met eten zoeken voor haar pasgeboren kleintjes.
Plotseling klonk er gekraak van takjes en bladeren. Het geluid van brekend bos kwam dichterbij. De dieren spitsten hun oren en wachtten bewegingloos af. Vanuit de struiken kwam een vreemd, klein dier, dat hen met een scheef kopje nieuwsgierig aankeek.
"Wat is dat nu?", zei de uil, "dit dier is mij niet bekend, hij hoort niet in ons bos". "Aach", zei moeder wild zwijn, "Volgens mij is hij nog heel jong, kijk dat babydons op z'n kopje, en die rimpelbeentjes". "Voorzichtig", zei de uil, "Denk na voor je je laat leiden door je gevoel". Maar moeder zwijn deed al drie passen naar voren. "Hoe heet je, lieverd", zei ze zacht, "Ben je je mama kwijt? Kom maar bij tante zwijn hoor, we vinden haar wel terug". Het beestje rende naar haar toe, kon niet op tijd remmen en rolde tegen haar aan. "Kijk nou", zei moeder zwijn triomfantelijk, "Zie je wel, hij is z'n moeder kwijt". En moeder zwijn begon het spriethaart te likken. "Laten we hem eens goed bekijken", riep de ekster, met z'n kop scheef: "Hij heeft olifantenpoten, een kop en lijf met haar, een grote bek, een lange sterke staart, dat wordt een reus van een beest. Ik wil hem hier niet". "Monster", riep moeder zwijn, "Stuur jij kinderen zomaar het bos in?" En er was geen praten meer aan, moeder zwijn had al vijf kinderen en deze kon er nog makkelijk bij. En zo bleef het vreemde beestje in het bos. De vogels werden erop uit gestuurd om zijn moeder te zoeken, maar ze vonden geen enkel dier dat op hem leek.

Het beestje scharrelde met de zwijnen mee, maar groeide veel harder. Hij struikelde vaak over z’n enorme poten en ging steeds op onderzoek uit. Uit z'n grote mond kwamen vreemde, harde geluiden. Hij was onhandig, vond moeder zwijn en at dingen die zwijnen niet aten. Hij deed vreemd, daar was iedereen het over eens.
Moeder zwijn had haar handen vol aan hem. De hele dag klonk door het bos haar geïrriteerd geknor: " Niet doen jij, niet zeuren, niet daarop klimmen, niet met je staart anderen om de oren slaan, niet opeten die dingen, niet zover bij ons vandaan gaan".
Als de andere dieren een praatje met het vreemde diertje aanknoopten en vroegen: "Zo, en ben je al een beetje gewend? Hoe heet je eigenlijk?" zei het beestje: "Niet". "Heet je Niet? Dat is een rare naam, maar okay, als je dat wilt".
"Niet" bleef het enige woord dat het vreemde dier kon zeggen. En iedereen noemde hem ook Niet. Hij werd steeds groter en onhandiger, hij leek wel niet te kunnen luisteren naar moeder zwijn of de andere dieren. Als ze riepen:"Niet zo wild met die grote olifantspoten", dan denderde Niet overal doorheen, alsof hij het niet gehoord had. Hij luisterde naar niemand, zelfs niet naar een geschokte uil.
Op een kille ochtend in de herfst zei de uil: "De zaak is onhoudbaar geworden met Niet in het bos. Ik denk dat Niet uit het bos verwijderd moet worden".
"We moeten de wijze tovenaar raadplegen", zei moeder hert,"kom moeder zwijn, we gaan met Niet naar hem toe".

De volgende ochtend kwamen ze bij de grot van de tovenaar aan.
Ze vertelden wie ze waren en toen de tovenaar hoorde dat Niet Niet heette, trok hij verwonderd zijn wenkbrauwen op. Hij nodigde hen uit op een bank van rood gekleurde herfstbladeren te gaan zitten. Niet bleef verlegen staan wiebelen op z'n grote voeten. "Niet wiebelen", fluisterde moeder zwijn. Niet begon nog veel harder te wiebelen. De tovenaar keek en zei toen vriendelijk tegen Niet: "Wil je even gaan zitten?" Niet zat meteen. De beide moeders keken elkaar verbaasd aan. "Hij is een echte tovenaar", fluisterde moeder hert.
Ze vertelden de tovenaar hun droevig verhaal. De tovenaar glimlachte en bekeek Niet toen van alle kanten. "Hij is heel bijzonder en lijkt op geen van ons allen", zei hij, "maar hij is sterk en groot, zacht en warm, een mooi dier met een verkeerde naam. Noem hem geen Niet, maar noem hem Wel". De tovenaar aaide Niet door z'n harige pruikenbol en legde zijn hand op z'n hoofd: "Voortaan zul je Wel heten, je bent prachtig en je bent waardevol voor de dieren in het bos, want je kunt andere dingen dan zij”. Tegen de moeders zei de tovenaar: "Het woordje ‘niet’ is vanaf nu verboden in het bos. Zeg het anders, zie zijn waarde, dan kun je met elkaar veel bereiken". Wel, het nieuwe beest sprong op en riep: "Dat kun je".

Vanaf dat moment ging het heel goed met de dieren van het bos en met Wel.
Zelfs de uil zei tijdens zijn Nieuwjaarstoespraak: "Ons bos is bevrijd van het niet en we verwelkomen van harte onze vriend Wel met z'n sterke benen, die omgevallen bomen weg kunnen rollen, z'n krachtige stem die iedereen waarschuwt voor gevaar en z'n vrolijke staart waarin de jonge dieren het klimmen en het heen en weer zwaaien kunnen leren. Ik zeg vanuit het diepst van mijn hard: wij redden het samen in deze nieuwe tijd zeker wel".
En Wel sprong op en schreeuwde: "Zeker!"

Tekst: Boukje Overgaauw

e-max.it: your social media marketing partner
Top